Oorsprong van de molen

 

Oorsprong van de molen

 

1479 was het einde van de Bourgondische tijd en het begin van de Habsburgse overheersing (Karel de Stoute vindt de dood bij Nancy in 1477 en zijn dochter Maria van Bourgondië huwt Maximiliaan van Oostenrijk).

 

Tongeren, met inbegrip van Lauw, was een stadsvrijheid sinds de twaalfde eeuw, doch stond onder voogdij van het Prinsbisdom Luik, dat sinds 980 kon pronken met haar immuniteit van bezittingen, tevens los stond van de Duitse heersers en ingebed was in een sterke feodaal ingestelde aristocratische tijdsgeest , in oude agrarische tradities en diep wortelend katholicisme.

 

Het Prinsbisdom had dan ook het heerlijke recht (waaronder ook het ban- en molenrecht) en kon dit ter beschikking stellen van particulieren. Ook de bouw van de Hoogmolen was een gevolg van deze heerlijke rechten. De familie van Hulsberg, alias van Schaloen (Schailjoun), had zich immers verdienstelijk gemaakt jegens het Prinsbisdom Luik en verkreeg daarom de vergunning om een watermolen op te richten op de Jeker te Lauw, stroomopwaarts van de kerk. De molen werd in een tekst van 1493 de “novum molendinum”genoemd.

 

Voor dit heerlijke recht diende jaarlijks een kleine vergoeding van 6 rijngulders en 8 stuivers te worden betaald aan het cijn- of kellenijhof van de bisschoppelijke tafel te Lauw. In deze periode waren onze steden, na de Italiaanse, bij de rijksten van Europa. Daarom waren toen onze contreien dan ook het voorwerp van plundertochten en vernielingen door allerlei rondzwervende troepen.

 

Na de Franse Revolutie (1789) worden al deze zogenaamde “heerlijke rechten” afgeschaft. Enkel het stuwrecht voor watermolens blijft als zakelijk recht bestaan tot op heden.

Het pegelpeil dat nog steeds zichtbaar aanwezig is aan de kop van de maalsluisbrug, wordt op 10 maart 1847 door de Bestendige Deputatie van Limburg bepaald op 1,621 m.

 

De Hoogmolen te Lauw, de eerste molen aan de Jeker op Limburg grondgebied , werd op 13 juni 1986 als monument geklasseerd door Vlaams Minister van Cultuur, Patrick Dewael

 

In onze zoektocht naar sporen uit het verleden werden we bijgestaan door de buren en zeker door G. Landmeters, die ons in contact bracht met G. Delvaux, die als zoon van de laatste mulder nog geboren is op de Hoogmolen in 1936.

 

Deze laatste heeft ons belangrijke informatie kunnen verschaffen over de indeling van de molen waaronder graanelevator, buil, wanmolen, aparte maalstoel op stroom, haverpletter enz. en tevens over de herstellingen aan het molenmechanisme. Het gaande werk in gietijzer dat gemaakt werd door ambachtelijke ateliers waarschijnlijk in het Luikse rond 1885, is in feite een voorloper van de eerste versnellingsbak.

 

Ook Mevr. L Voets en zoon H. Baillien hebben waardevolle gegevens bijgebracht, indertijd nog verzameld en deels te boek gesteld door wijlen H. Baillien.